De overwinning van Niki Terpstra (33) in de Ronde van Vlaanderen is de oogst van een wielerleven lang aanvallen. Nooit gezien als groot talent, maar hij bereikte alsnog de top, via de weg van de meeste weerstand.
Ze joelden. Ze floten hem uit. Ze blokkeerden hem de weg, ze hingen aan zijn shirt en ze scholden hem verrot. Elke keer hetzelfde liedje. Ging het eindelijk even rustig, viel die klootzak weer aan. Konden ze weer de hele dag achter hem aan rijden. Alsof hij het ging halen tot de finish. Waarom luisterde dat ventje niet naar ze? Waarom bleef hij niet gewoon in het peloton, zoals iedereen? Wie dacht die Niki Terpstra wel dat hij was?
Nooit werd hij beschouwd als een groot talent. Niet bij de junioren, niet bij de beloften, niet in zijn eerste jaren bij de profs. Bij de opleidingsploeg van Rabobank zagen ze niets in hem. Te kleine motor, te grote smoel. Er waren zoveel generatiegenoten die beter leken. En dus zocht Niki Terpstra het zelf wel uit.
Voor hem geen gespreid bedje, geen geëffend pad naar de top. Het moest met vallen en opstaan, met harken en ploeteren voor een contractje. Eerst bij kleinere ploegjes – zoals Piels en Ubbink, en daarna mocht hij het op het hoogste niveau proberen bij Milram. Als nobody. Bidons halen, kopmannen uit de wind houden en verder niets.
Aanvallen
Maar Terpstra wilde meer. Hij vroeg de ploegleiding wanneer hij een keer zelf een kans zou krijgen. En als hij die niet kreeg, dan pakte hij hem zelf. Altijd op dezelfde manier: door aan te vallen. Bij voorkeur op de meest onmogelijke momenten. Vanuit de start. In de regen. Als de rest geen zin had. Hij maakte zich er in zijn eerste jaren niet populair mee in het peloton en hij reed keer op keer met zijn kop tegen een muur, maar dat interesseerde hem geen lor. Terpstra is nooit bang geweest voor de weg van de meeste weerstand. Als hij viel, dan stond hij weer op. Als hij werd teruggepakt, dan probeerde hij het de volgende dag weer.
Natuurlijk, soms was er twijfel. Zoals die keer dat hij als jong broekie in de Ronde van Catalonië in zijn eentje voor de bezemwagen uit reed, in 2007. Of die keer dat hij zijn beide polsen had gebroken bij een knullige val in Peking, in 2008. Hij kon zijn billen niet eens afvegen. Het weerhield hem er nooit van om door te zetten. Met twee gebroken polsen kun je ook trainen. Een jaar na zijn val won hij een rit in de Dauphiné Libéré – na een dag lang aanvallen. Hoe kon het ook anders.
Wielrenners hebben vrijwel allemaal een betonnen kop. Maar bij de meesten brokkelen er soms stukjes van af, of blijkt het beton op sommige plekken toch iets poreuzer te zijn dan gedacht. Bij Terpstra niet. Hij heeft een kop van gewapend beton. En een paar benen die van hetzelfde materiaal zijn gemaakt. Want naarmate zijn carrière vorderde, kwam de grootste kwaliteit van Terpstra bovendrijven: zijn belastbaarheid. Hij kan veel én hard trainen omdat hij het lichamelijk en geestelijk aankan. Iedereen die ooit met hem getraind heeft, kan erover meepraten: het is een marteling om naast hem op kop te rijden.
Terpstra heeft een groepje renners verzameld dat zich NoordHollands Best noemt – NHB voor intimi. Hij wordt door de anderen bestempeld als de dictator van de groep. Hij bepaalt wie er lid mogen worden (de vereisten: je moet prof zijn of profwaardig zijn, je moet af en toe de koffie met appeltaart betalen en Niki moet je geen lul vinden), hij bepaalt de route, hij bepaalt de snelheid. Als er renners in het wiel hangen die Terpstra niet pruimt, dan geeft hij net zo lang gas totdat ze uit beeld zijn verdwenen.
De vaste trainingsleden worden geacht hun werk op kop te doen, ongeacht de omstandigheden, ongeacht hun conditie. Sommige trainers verbieden hun (jonge) renners om regelmatig met Terpstra te trainen – simpelweg omdat ze door hem verrot worden gereden. Dag na dag naast een boormachine op kop tegen de wind in rijden, dat is vragen om moeilijkheden.
Wielrennen = vissen
Toen hij in 2012 Dwars door Vlaanderen won – na een kilometerslange solo – vergeleek hij wielrennen met vissen. Op het eerste gezicht een vreemde vergelijking, maar niet als je er even over nadenkt. Je hebt geduld nodig. Geluk. En vooral: doorzettingsvermogen. Blijven aanvallen is eigenlijk hetzelfde als blijven staren naar die dobber. Net zolang tot je beet hebt.
Terpstra heeft zijn carrière stap voor stap opgebouwd. Van knecht en kansloze aanvaller naar vrijbuiter, van vrijbuiter naar beschermde renner, van beschermde renner tot een van de kopmannen van de Belgische miljoenenploeg Quick-Step. Hij is een van de aanjagers binnen het team. Hij jut zijn ploeggenoten op om de koers hard te maken, hij zoekt de avond van tevoren uit waar ze de boel op de kant kunnen gooien, hij is de dj in de bus op weg naar de koers. Hij is de peper in de reet van zijn eigen ploeg, maar door zijn agressieve houding kunnen ze zijn bloed wel drinken bij sommige andere ploegen.
Al hengelen ze bij andere teams wel steeds nadrukkelijker naar zijn handtekening. Vorig jaar onderhandelde Terpstra nog met Lotto-Jumbo. Maar uiteindelijk tekende hij toch voor een nieuw jaar bij Quick Step.
Hij is geen makkelijke renner om van te houden. Zeker voor het Vlaamse publiek. Hij is te Nederlands. Te zelfverzekerd. Te uitgekookt, misschien ook wel. Zijn overwinning in Parijs-Roubaix van 2014 wordt in Vlaanderen vaak gezien als een wedstrijd die de Nederlander alleen maar won omdat zijn ploegmaat Tom Boonen in de achtervolgende groep zat. Terpstra wordt ermee tekortgedaan. Alsof hij er niet voor hoefde te trappen. En alsof Boonen nooit wedstrijden won mede dankzij Terpstra.
Dit seizoen is Terpstra, na weer een winter obsessief hard trainen, beter dan in vorige jaren. Zijn solo in E3 Harelbeke, vorige week vrijdag, was een kunststukje. En dat deed hij afgelopen zondag nog een keer dunnetjes over. Hij reed weg en hij bleef weg. Over grote, brede wegen boorde Terpstra door tegenwind naar de finish in Oudenaarde. Het ging vooruit, het ging vooruit, het ging verbazend goed vooruit. Na Parijs-Roubaix, de E3 Prijs, Dwars door Vlaanderen, de GP Samyn, het NK op de weg en het WK ploegentijdrit won hij ook de Ronde van Vlaanderen. Het was de kroon op zijn werk. De beloning voor een wielerleven lang aanvallen.
door:ad.nl


