Column : Drie seconden en achtentwintig honderdsten

Er hangt een bal in de lucht. Iedereen kijkt ernaar, met ingehouden adem. De spelers, de toeschouwers, de trainers, de materiaalmannen, de koffiejuffrouw en de grensrechters in hun nét te korte broekjes.

Hij hangt daar maar, die bal. Een eeuwigheid van drie seconden en achtentwintig honderdsten lang. Hij doet niet aan zwaartekracht. Hij weigert naar beneden te komen. Als je niet beter zou weten, dan zou je zeggen dat hij zweeft. Dat hij drijft op de lucht van De Galgenwaard.

De bal is afkomstig van de voet van Memphis Depay. Hij stond op zijn eigen helft toen hij ‘m een lel gaf. Eerst leek het een vuurpijl. Zomaar een verkeerde pass. Zo eentje die Jan van Halst laat op de avond nog eens zou terughalen om te laten zien dat Depay soms een ‘een beetje laag in de concentratie zit’.

Of om nog maar eens te onderstrepen dat je ook met hotseknotsebegoniavoetbal wedstrijden in de eredivisie kunt winnen. Met twee vingers in je neus zelfs.

Ongrijpbaars

Maar als de bal één seconde onderweg is verandert de vuurpijl in iets anders. Iets ongrijpbaars. Er ís iets met die bal. Hij stuitert niet over de zijlijn, hij rolt niet in de voeten van de linksback van de tegenstander. Hij daalt niet; integendeel. Hij stijgt. Hoger. En hoger. De enige die iets van de bal begrijpt, is Depay.

Een oneindige seconde later begrijpt de rest van het stadion het ook. De bal zweeft op dat moment ergens halverwege de helft van Utrecht. Pas dan zien andere spelers, de trainers en de toeschouwers dat Jeroen Verhoeven en zijn buik te ver voor het doel staan. Dat het geen verkeerde pass is, en ook geen vuurpijl. Het is – zou het? kon het? nee toch? verdomd! – een schot.

Seconde drie. Verhoeven heeft het ook door. Hij probeert zo snel als hij kan terug naar zijn doel te rennen. Het is zinloos: zelfs als de bal nog drie eeuwigheden door zweeft komt hij te laat. De bal trekt een streep door de lucht. Het is een parabool, getekend door de rechtervoet van Depay; een wiskundige formule geschreven door de wreef van een voetballende raketgeleerde.

Bloempot

In de laatste achtentwintig honderdsten van de vlucht duikt de bal naar beneden als een bloempot van een veel te hoog balkon. Ogen sperren open. Ademhalingen stokken. Er wordt gehoopt. Gebeden.

Hij gaat er niet in. De bal toucheert de kruin van de lat zoals je de fontanel van een pasgeboren baby aait. Zachtjes, zonder geluid, maar liefdevol. Geen doelpunt, maar een achterbal. Als kunstvorm is dat veel mooier eigenlijk. Een doelpunt zou zo voorspelbaar zijn. Zo Hollywood.

De keeper van Utrecht hervat het spel. De betovering is verbroken. Het is ineens weer een voetbalwedstrijd. Eentje die nergens meer over gaat, want het staat al 0-3. Maar de herinnering blijft. Aan die paar seconden waarin er geen Utrechtse verdedigers in de fout gingen, waarin niemand zich ergerde aan de fluorescerende schoentjes van de rechtsback, aan het weer of aan de scheidsrechter, waarin Real Madrid-Barcelona, Messi, Ronaldo en Suarez niet bestonden en waarin niemand de eredivisie een houtjetouwtjecompetitie vond.

De wereld draaide om een bal die in de lucht in Utrecht hing.

Drie seconden en achtentwintig honderdsten lang.

Share article

Latest articles