Totti oudste Champions League-doelpuntenmaker ooit

Streng verboden: duimsabbelen als je een goal hebt gemaakt. Behalve voor de kersverse oudste Champions League-doelpuntenmaker ooit.

Normaliter kan ik ze wel schieten: voetballers die doelpunten opdragen aan hun kleine kindjes thuis, bijvoorbeeld door heel debiel op een denkbeeldig speentje te gaan staan sabbelen, een duim in de mond te steken of – het allerergst – een denkbeeldig baby’tje te wiegen in hun armen.

(Mijn afkeer van dat wiegen dateert uiteraard van 9 juli 1994 in Dallas: na zijn doelpunt tegen Oranje ging de toch al vrij irritante Braziliaan Bebeto met twee ploeggenoten baby’s staan wiegen. Mazinho, Bebeto en Romario, sommige dingen vergeet je niet. Ik had op dat moment erg veel zin om ze in diezelfde volgorde met een vliegende karatetrap te onthoofden.)

Voor één man maak ik sinds deze week een uitzondering: Francesco Totti.

Leeft die nog? Ja, die leeft nog. Hij is inmiddels stokoud (slechts één jaar jonger dan ondergetekende, dus u kunt wel nagaan), hij voetbalt nog altijd voor AS Roma en dinsdag werd hij, drie dagen na zijn achtendertigste verjaardag, de oudste doelpuntenmaker in de geschiedenis van de Champions League. De vorige recordhouder was Ryan Giggs.

Er waren 23 minuten gespeeld, Totti vertrok randje buitenspel op een dieptepassje en wipte de bal met een subtiele beweging van zijn rechtervoet diagonaal langs de keeper, in de verre hoek 1-1. En toen stak hij, tijdens het juichen, dus zijn duim in zijn mond.

Doet hij al jaren. Zijn vrouw beweert dat het voor haar is, omdat ze altijd op haar duim schijnt te knabbelen, maar dat heeft Totti nooit bevestigd. Ik houd het op een eerbetoon aan zijn kinderen. Waar het om gaat: hij, Francesco Totti, Il Bimbo d’Oro, heeft permissie. Als enige.

Gruwelijk goed

Ik heb een zwak voor de man, wat eigenlijk heel vreemd is, want de enige keer dat ik hem in het echt heb zien spelen, was hij onderdeel van het negatiefste elftal waar ik negentig minuten van mijn leven aan heb gespendeerd: de AS Roma-ploeg die in december 2002 in de Amsterdam Arena tegen Ajax speelde.

Totti was de meest vooruitgeschoven pion, terwijl hij eigenlijk geen spits is maar middenvelder. Dat zei veel over AS Roma’s strategie van die dag: de ploeg was niet van plan iets te ontplooien dat ook maar léék op een aanval.

In de jaren daarna ging ik een beetje houden van de volksjongen uit Rome, die in zijn beste jaren gruwelijk goed was en naar Milan, Inter of zelfs Real Madrid had gekund, maar uiteindelijk altijd weer koos voor AS Roma, de Giallorossi, de club van zijn stad, de club van zijn hart.

En dat terwijl AS Roma het Feyenoord van Italië is: ze willen altijd kampioen worden, maar het gebeurt nooit. Eén keer slechts mocht Totti de Scudetto omhoog houden: in 2001, dertien jaar geleden. Weinig topvoetballers nemen genoegen met zo weinig clubprijzen.

Wat me definitief voor hem innam, waren zijn boekjes. In Italië maakt men graag grappen over hem, omdat hij niet de snuggerste schijnt te zijn. Totti ging sportief met de spot om: hij bracht twee succesvolle bundeltjes met Totti-grappen uit, waarvan de totale opbrengst naar Unicef gaat. Wat een baas.

Op Wikipedia staan wat voorbeeldjes. Totti moet voor de rechtbank verschijnen. De rechter vraagt: “Wat is uw verdediging, meneer Totti?” Totti antwoordt: “Cafú, Samuel, Chivu en Panucci, edelachtbare.”

Ik vind dat best een goeie, voor iemand die het buskruit niet heeft uitgevonden.

Laatste exemplaar

Het allermooiste is misschien dat Totti, zonder het te weten, alle Nederlandse voetbalsupporters verenigt. In jaloezie. Niemand van ons maakt mee dat een speler (de béste speler!) van onze favoriete club zijn hele loopbaan de club trouw blijft. Totti wel, 22 seizoenen nu al.

Goed, financieel zou het dom zijn om, als beste speler van je ploeg, je hele carrière trouw te blijven aan een Nederlandse club. Dan kun je daarna een baantje zoeken. Als superster van AS Roma zit je wat ruimer in de slappe was.

Maar niettemin: onze clubs hebben geen Totti’s, die kunnen in het Nederlandse klimaat niet meer bestaan. Uitgestorven. En dus ben ik, plaatsvervangend, gaan houden van de echte, na Maldini (Milan) en Del Piero (Juve) een van de laatste exemplaren in het wild.

Door: NU.nl

Share article

Latest articles